Ontwikkelingen in box-3

De som van de bezittingen en schulden die niet al reeds in box-1 of box-2 in aanmerking zijn genomen, wordt al sinds jaren tegen een forfaitair rendement in box-3 in de inkomstenbelasting betrokken. De vraag is of dit ook in de toekomst houdbaar blijft.

De vastgoedportefeuille van een verhuurder wordt over het algemeen in box-3 van de inkomstenbelasting in de belastingheffing betrokken. Voor meer informatie hierover heeft Rob Antonis een informatieve blogpost geschreven voor Interhouse.

De belastingplichtige wordt in box-3 belast over een forfaitair rendement, dit wil zeggen dat de belastingplichtige geacht wordt een bepaald rendement te behalen, waarover belasting moet worden afgedragen. Het daadwerkelijk behaalde rendement is hierbij niet relevant.

Gelet op de neerwaartse ontwikkeling van de spaarrente – bij sommige banken wordt nu zelfs negatieve rente gerekend – is over dit forfaitaire rendement de afgelopen tijd veel discussie ontstaan. Door het steeds groter wordende gat tussen het forfaitair rendement en het rendement dat een spaarder realistisch kan behalen door risicoloos te beleggen, wordt de box-3 belastingplichtige in feite gedwongen om te kiezen tussen het afdragen van belasting over een rendement dat hij (in de verste verte) niet behaald heeft, of veel risico te nemen door agressief te beleggen. Het moge duidelijk zijn dat dit geen gewenste situatie is.

Uit een arrest van de Hoge Raad uit 2019 bleek zelfs dat box-3, zoals toegepast in de jaren 2013 en 2014, op “stelselniveau” in strijd was met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), meer specifiek het grondrecht van eigendom.

Sindsdien hebben enkele stelselwijzigingen plaatsgevonden. Op dit moment wordt in box-3 bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen “rendementsklasse I” en “rendementsklasse II”, omschreven als sparen respectievelijk beleggen, waarbij de box-3 belastingplichtige over klasse I geacht wordt een significant lager rendement te behalen dan over klasse II. Let wel dat ook hier weer een forfaitair rendement wordt toegepast, en dat niet alleen, bij de verdeling tussen klasse I en klasse II wordt niet aangesloten bij de daadwerkelijke verdeling tussen sparen en beleggen bij de belastingplichtige, maar wordt hij of zij tot een vermogen van €72.797 geacht 67% te sparen, en 33% te beleggen, waarbij hij of zij over de belegging een rendement van 5,28% (2020) geacht wordt te behalen. De fictieve verdeling tussen sparen en beleggen verschuift bij een groter vermogen meer richting “beleggen”, waarbij de belastingplichtige bij box-3 vermogen dat uitgaat boven (grofweg) een miljoen geacht wordt 100% van zijn vermogen te beleggen.

Bij het bovenstaande dient vermeld te worden dat voormalig Staatssecretaris van Financiën Menno Snel in september 2019 bij de Tweede Kamer een voorstel indiende ter hervorming van box-3. Dit voorstel, dat 1 januari 2022 in werking zou moeten treden, voorziet in een wijziging van de fictieve verdeling tussen het deel van het vermogen dat gespaard wordt, en het deel dat geacht wordt ter belegging te worden aangewend. Als het voorstel doorgang vindt, zal vanaf de inwerkingtreding aangesloten worden bij de daadwerkelijke verdeling tussen sparen en beleggen.

Toch zijn er fiscalisten die menen dat dit niet voldoende is. Er wordt bijvoorbeeld alleen onderscheid gemaakt tussen “sparen” en “beleggen”. Dat het rendement dat te behalen is met een belegging sterk af zal hangen van het type belegging, is niet iets waar rekening mee wordt gehouden in het voorstel. Wanneer uitgegaan wordt van het forfaitair rendement over “rendementsklasse II” zoals dat geldt in 2020, zouden onder het voorstel alle beleggingen, zijnde box-3 vermogen anders dan spaargeld, geacht worden te renderen tegen 5,28%.

Het is goed mogelijk dat het forfaitaire rendement, op zichzelf, ervoor zal zorgen dat de huidige manier van belastingheffing in box-3 niet houdbaar is. Een voor de hand liggend alternatief is om aan te sluiten bij het daadwerkelijk behaalde rendement over box-3 vermogen.

Een dergelijke stelselwijziging zal significante gevolgen hebben voor een belastingplichtige met een vastgoedportefeuille, waardoor de daadwerkelijk ontvangen huur in de belastingheffing zal worden betrokken. Ook zal nagedacht moeten worden over hoe met waardestijgingen van het vastgoed omgegaan moet worden.

Terwijl enkele fiscalisten overwegen naar het Europees Hof in Straatsburg te stappen om hun oordeel te vragen over het Nederlandse forfaitair rendement, is de positie van de Nederlandse overheid er een van terughoudendheid. De Staatssecretaris van Financiën denkt dat het huidige stelsel van box-3 houdbaar is onder het EVRM en dat verdere wijzigingen niet nodig zijn, wel heeft de Tweede Kamer de parlementair advocaat gevraagd advies uit te brengen over de juridische houdbaarheid van het huidige stelsel.

De publicatie van dit advies, en de uitkomst van een mogelijke procedure voor het Europees Hof zal afgewacht moeten worden voordat daadwerkelijk conclusies kunnen worden getrokken, maar het zijn in ieder geval interessante tijden voor box-3.

Op 24 juni ontvingen wij een belangrijke update omtrent dit onderwerp:

Staatssecretaris van Financiën, Hans Vijlbrief, schrapt de plannen van zijn voorganger om de vermogensrendementsheffing te gaan wijzigen. Volgens Vijlbrief wordt er een te groot verschil gemaakt tussen geld dat mensen over hun rendementen uit beleggingen betalen ten opzichte van wat ze over hun spaarrente betalen. Dat onderscheid zou volgens de Staatssecretaris niet alleen oneerlijk zijn, maar ook juridisch niet haalbaar.

Dit betekent dat de aanpassing van Box 3 – die voor veel particuliere vastgoedbeleggers ongunstige gevolgen zou hebben – voorlopig van de baan is. Vijlbrief gaat nu terug naar de tekentafel om met een eenvoudiger plan te komen dat “kleine spaarders en beleggers in hoge mate ontziet”.

Meer van onze blog:

18 september, 2020

Verzekeringen voor verhuurd vastgoed

Om uw vastgoed zorgeloos te kunnen verhuren is het belangrijk om de juiste verzekeringen af te sluiten.
Lees meer
08 april, 2020

Spoedwet verlenging tijdelijke huurovereenkomst ingediend

De verwachte spoedwet voor verlenging van huurovereenkomsten voor bepaalde tijd is aangenomen door de tweede kamer.
Lees meer